deel deze pagina met anderen:

       

Koffie


kof·fie (de ~ (m.))

  1. natuurproduct, bestaande uit een mengsel van zaden van de koffieplant
  2. het gemalen poeder van gebrande koffiebonen
  3. (~s) drank, bereid door gemalen koffiebonen met kokend water te begieten => leut, slemp, slobber
  4. heester waaraan koffiebonen groeien

kof·fie·aro·ma (het ~)

  1. aroma van koffie
  2. stof die aan koffie kan worden toegevoegd om het aroma te verbeteren

kof·fie·au·to·maat (de ~ (m.))

  1. automaat waaruit na inworp van muntgeld een bekertje koffie komt

kof·fie·bar (de ~)

  1. espressobar

kof·fie·bes (de ~)

  1. vrucht van de koffieboom

kof·fie·boom (de ~ (m.))

  1. koffieplant

kof·fie·boon (de ~)

  1. vruchtenpit van de koffieboom

kof·fie·bran·der (de ~ (m.))

  1. eigenaar van een koffiebranderij
  2. apparaat om koffie te branden

kof·fie·bran·de·rij (de ~ (v.))

  1. fabriek waar koffie gebrand wordt

kof·fie·brood·je (het ~)

  1. langwerpig luxebroodje met krenten, rozijnen en glazuur, voor bij de koffie

kof·fie·bus (de ~)

  1. metalen bus om koffie in te bewaren
  2. cilindervormige ijzeren bus waarin koffie gebrand wordt

kof·fie·con·cert (het ~)

  1. concert in de ochtend, waarbij koffie wordt geserveerd

kof·fie·crea·mer (de ~ (m.), ~s)

  1. wit melkpoeder dat koffiemelk vervangt

kof·fie·cul·tuur (de ~ (v.))

  1. het aanplanten en kweken van koffie

kof·fie·dik (het ~)

  1. bezinksel van getrokken koffie => koffieprut, prut

kof·fie·dik·kij·ker (de ~ (m.))

  1. iem. die denkt de toekomst te kunnen voorspellen => waarzegger

kof·fie·drin·ker (de ~ (m.))

  1. iem. die koffie drinkt => koffieleut

kof·fie-ex·tract (het ~)

  1. sterk aftreksel van koffie

kof·fie·fil·ter (het, de ~ (m.))

  1. trechtervormig filter waarin men water op de gemalen koffie kan schenken

kof·fie·hees·ter (de ~ (m.))

  1. koffieboom => koffieplant